Alleen gekomen om samen terug te gaan

Kerst wordt vanouds beschouwd als het feest van het nieuwe leven. Het is juist op die dag dat ik naar Malaga afreis om Onix op te halen, die zonder het te weten zelf op de drempel van een nieuw leven staat. Er was voor hem geen plaats in de herberg, maar gelukkig wel in een shelter waar men zich over hem ontfermde, na een miserabele voorgeschiedenis. Een dagje zal ik in de stad verblijven om op zondag (‘Derde Kerstdag’) met Onix en zijn shelterkameraad Powell terug te vliegen. In de tijd waarin op vele plekken ‘U zijt wellekome’ gezongen wordt, kan ik niet wachten om dat Onix en z’n maatje toe te roepen.

Op het laatst zie ik in elke rolkoffer die in de verte voortgetrokken wordt, een galgo.

Museo Ruso

Voordat ik hun vliegpartner word, heb ik nog één opdracht te vervullen. Eerst wil ik nog op Tweede Kerstdag in het nieuwe Malageense Museo Ruso op zoek gaan naar een schilderij van Ilja Repin, de beroemde Russische schilder. Onix krijgt namelijk de eer naar hem vernoemd te worden. Zo past hij qua naam bij onze honden Jeroen (Bosch) en (Henri) Matisse en is hij een waardige opvolger van Pablo (Picasso). Het schilderij in het Russische Museum vind ik al gauw. Het ontroert mij: het is een trouwviering. De trouw wordt hier letterlijk bekroond. Dit is het teken: Ilja mag voortaan rekenen op onze trouw. In Malaga zelf is het trouwens een en al ‘Navidad’, geboortefeest. De straten zijn feestelijk verlicht. Je struikelt over de kerststallen en de mensen. Is het in Nederland al lente in december – vlinders fladderen tussen opgetuigde kerstbomen –, in Spanje lijkt het wel zomer. De naakte Jezus in de kribbe heeft het hier niet koud.

onix-overzicht

Dan breekt de dag van de thuisreis aan. Dat is immers het doel: ik ben gekomen juist om naar huis te gaan. Het gaat om de terugreis, want ik ben speciaal vertrokken om een vriend tegemoet te snellen en hem mee te nemen naar een veilig thuis. Ik ben al vroeg op het vliegveld. Veel te vroeg. De minuten duren lang. Op het laatst zie ik in elke rolkoffer die in de verte voortgetrokken wordt, een galgo. De rij wachtenden voor de incheckbalie groeit. Dan opeens zie ik ze van verre: een oranje en een rode jas, elk op vier zwarte poten.

Gedrevenheid

Dichterbij gekomen herken ik Onix/Ilja van de foto’s. Z’n kameraad moet Powell zijn. Twee broers begeleiden de honden. De ene behoedt de viervoeters; de andere bouwt de vliegtuigboxen op. Wat mij opvalt is de gedrevenheid van de twee en de liefde waarmee ze de honden benaderen. Ze werken als vrijwilliger bij de shelter, vertellen ze mij. We delen de verbijstering hoe barbaars veel mensen met dieren omgaan. Hoe is het mogelijk om honden als wegwerpartikelen te beschouwen? Het worden weer drukke weken, vrezen ze, wanneer het jachtseizoen binnenkort weer ten einde loopt. Ondertussen knuffelen de wachtenden in de rij voor en achter ons de honden. Al pratend schuiven we op richting de incheckbalie. Ik vrees voor een moeilijke procedure, maar dat valt erg mee: ik hoef enkel een papier in te vullen. De broers en ik nemen afscheid. Ik laat hun weten, dat ik veel respect voor hun inzet heb.

In het vliegtuig hoor ik een hond blaffen. Ze zijn aan boord. Wat een stress voor die twee. ‘Jongens, even volhouden!’, zeg ik zachtjes. Toch zijn we alle drie in de wolken.

Niemand schiet te hulp. Geen vakantiegangers, geen langslopende bewaker (‘Dat is niet mijn taak’, zegt hij), geen Douanebeambte, geen Schipholmedewerker.

Onverschilligheid

Op Schiphol word ik eerst geconfronteerd met de onverschilligheid van mensen. Bij de KLM-balie wordt mij verzekerd dat er hulp te verwachten is. Dat klinkt goed, maar de praktijk is anders. Ik word verwezen naar de loopband voor afwijkende bagage. ‘Daar zullen ze wel verschijnen.’ Bij de band houd ik de wacht. Voor alle zekerheid vraag ik het ook aan langslopend personeel. ‘Ze komen op de band.’ Ik wacht en wacht. De tijd verstrijkt. Toevallig hoor ik een blaf. Ik ga op het geluid af. De honden zijn zomaar bij een lift gedropt. Ze staan daar, moederziel alleen, zonder begeleider. Alle mensen lopen voorbij. Dan probeer ik de vliegtuigboxen met de honden erin op twee karretjes te krijgen. Niemand schiet te hulp. Geen vakantiegangers, geen langslopende bewaker (‘Dat is niet mijn taak’, zegt hij), geen Douanebeambte, geen Schipholmedewerker. Ik krijg de boxen met moeite op de karren. Nu moet ik nog een helling af. Even helpt iemand mij, twintig seconden, dan is hij weg (‘Anders kom ik te laat…’). Ik kom beneden. De adoptiefamilies en Irma Dijkink van de Stichting staan aan de andere kant van het glas. Ze willen er wel doorheen breken om me te helpen. De box met Powell glijdt van het karretje af en valt. Niemand snelt ernaartoe. Niemand steekt een hand uit. Het glas bij de wachtenden barst bijna door de emotionele drukgolf. Ik til de box voorzichtig weer op de kar en spreek Powell rustig toe: ‘Alles komt goed! We zijn er bijna, lieve vriend.’  Langs de bagagebanden gaan we verder, de honden en ik. Iedereen is verdiept in eigen zaken. De laatste twintig meter schiet zowaar een Douanebeambte me te hulp. Werkelijk een grensgeval… Dan gaan de deuren open en landen we in de armen van vrouw en kinderen. De jongens worden bevrijd en staan voor het eerst op Hollandse bodem. Ze mogen gaan ervaren, dat er hier plek is voor ontheemden.

We gaan naar huis. Ilja met z’n nieuwe bazin (ook de mijne) op de achterbank. Hij valt in slaap. Thuisgekomen ontmoet hij Jeroen en Matisse. Het is meteen goed. Zelf ga ik even zitten. De herdertjes lagen bij nachte, maar ik lig voor Pampus – hondsmoe –, maar wel met een nieuwe vriend naast me op de bank. Missie geslaagd.

Nielspeter Jans